Christen zijn en de overheid!

Zaterdag 1 juni 2013

- Ds. H. Lassche -

Enerzijds, anderzijds

Het kabinet wat wij op dit moment hebben is niet echt een christelijk te noemen. Meerdere zaken, tegen de christelijke moraal, lijken doorgang te vinden. Te denken valt aan de afschaffing van de wet op de godslastering en de wet op de zondagsheiliging. De zogenaamde trouwambtenaren. De bedreiging van het christelijk onderwijs.

 

Aan de ene kant wordt er geweld gedaan aan het christelijke karakter van Nederland. Aan de andere kant hebben we Willem-Alexander als koning gekregen. In zijn toespraak op 30 april sprak hij niet over God. Wel heeft hij de eed afgelegd, werd naast vers 1 ook vers 6 van het Wilhelmus gezongen en klonk na de toespraak een bewerking op de lofzang van Maria. Koning Willem-Alexander noemt zichzelf gelovig, niet kerkelijk. Wel heeft hij belijdenis gedaan een aantal jaar geleden.

 

Nederland is niet te vergelijken met landen waar er sprake is van christenvervolging. Toch moeten we steeds meer inleveren wat christelijke elementen betreft.

 

Meewerken aan een onchristelijke overheid?

In het Oude Testament was er sprake van een theocratie. Het vragen om een koning door het volk was een vorm van het verwerpen van God. Toch heeft God koningen aan zijn volk gegeven die tot zegen voor hen zijn geweest. De koningen hadden de taak om Gods wet te handhaven.

 

In het Oude Testament staan een aantal voorbeelden van Joodse mannen die deelnamen aan een heidense overheid.

  • Jozef. Onderkoning in Egypte.

  • Obadja. Hofmeester in de tijd van koning Achab.

  • Daniël. Aan het hof van koning Nebukadnezar en koning Darius.

  • Nehemia. Schenker aan het hof van koning  Arthahsastra.

  • Mordechai. Ten tijde van koning Ahosveros.

 

In het Nieuwe Testament (Matth. 22) lezen we wat de Heere Jezus antwoordt op de vraag of je belasting moet betalen aan een ‘vreemde’ overheid. De Heere Jezus vraagt de vraagstellers om een belastingmunt en zegt: ‘Geef den keizer wat des keizers is..’

 

We moeten een ieder geven wat hem of haar toekomt. Hierin dienen we onderscheid te maken tussen de persoon en het ambt wat de persoon bekleed.

 

Conclusie

De overheid heeft een voorname plaats in de samenleving, ook wanneer zij God zelf niet vreest.

 

Petrus’ brief

De eerlijke levenswandel temidden der heidenen

11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;

12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

13 Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;

14 Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.

15 Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;

16 Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.

17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

 

Petrus schrijft ter bemoediging aan de lijdende kerk ten tijde van christenvervolging. De zwaarte van de christenvervolging varieerde per keizer. De 1e grote christenvervolging was aan het einde van de eerste eeuw.

 

Petrus schrijft in zijn brief aan christenen die met lokale bevolking te maken hebben. Petrus zegt hen: ‘Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig..’. Hij zegt hen dat ze zich zoveel mogelijk moeten onderwerpen aan de overheid. Schrijft hier wel bij: ‘Om des Heeren wil’. Wat rechtstreeks tegen God en Zijn gebod in gaat hoeven ze/we niet te gehoorzamen. We moeten Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen.

 

Vers 17

God vraagt verder van ons dat we onze naaste liefhebben. ‘Eert een iegelijk’. Met name de christelijke gemeente. ‘Hebt de broederschap lief’. En in alles God dienen. ‘Vreest God’. Ten laatste schrijft hij dat we de koning moeten eren. Petrus spreekt niet over de keizer. Dit kan er mee te maken hebben dat de meeste keizers zichzelf tot koning maakten in die tijd. Zichzelf boven God stelden. Petrus kan ook bedoelen dat we niet alleen de keizer, maar ook de lagere machten moeten eren.

 

Romeinen 13 spreekt over het zwaard wat de overheid draagt. Zij hebben de taak om kwaaddoeners te straffen. Het is onze taak om belasting te betalen en voorbede voor hen te doen.

 

Wapens ter hand nemen?

In het Nieuwe Testament nemen christenen de wapens niet ter hand tegen de overheid. Later in de geschiedenis gebeurde dit wel. Onder andere ten tijde van het ontstaan van ons land onder leiding van Willem van Oranje.

 

Reformatie

Aan de kant van de degenen die breken met Rome bestaan er verschillende visies tegenover de overheid.

Luthersen, calvinisten en wederdopers. In ons land waren en zijn er met name calvinisten en wederdopers (doopsgezinden). De laatstgenoemden vonden de reformatie niet vergaand genoeg. Zij waren van mening dat er gebroken moest worden met de overheid. ‘Een christen moet zo min mogelijk te maken willen hebben met aardse machten’. Sinds het drama in Münster hebben de wederdopers alle geweld afgezworen, ook de dienstplicht.

 

De overheid ging tegen de wederdopers in. De doop was in die tijd gelinkt aan het bevolkingsregister. De wederdopers onttrokken zich, door geen kinderen te dopen, aan het bevolkingsregister. Met geweld zijn zij onderdrukt, de overheid was van mening dat zij anarchisten waren. De dopersen kozen daarom ‘onbegaanbare gebieden’ onder de kop van Overijssel onder andere.  De doopsgezinde-gordel ligt westelijk van de biblebelt. In Amerika, Canada en Zuid-Amerika is dit uitvergroot: de Amish.

 

Doopsgezinden – Reformatorische gezindte

Het gevaar van terugtrekken is ook in onze gezindte aanwezig. Te denken valt aan reformatorisch onderwijs. Het afkeren van de overheid is niet bijbels. Wij hebben te staan in de samenleving en de overheid niet te verwerpen. Petrus brengt de groeten over van hen die van het huis van de keizer zijn. Hieruit kunnen we afleiden dat ook daar gelovigen werkten/woonden.

 

Stellingen

  • Kun je als christen tegenwoordig wel wethouder, burgemeester of minister zijn?

  • Mag een christen de wapens opnemen tegen de overheid?

  • Wat bindt ons nog aan het Oranjehuis? 

Mattheus 22: 15-22



15 Toen gingen de Farizeën heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede.

16 En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan;

17 Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?

18 Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zeide:

19 Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning.

20 En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?

21 Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.

22 En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.

 

1 Petrus 2: 11-17

 

11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.
13 Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;
14 Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.
15 Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
16 Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.
17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.